ZEN EN DE KUNST VAN HET SCHOFFELEN
24.04.2017 — 14:00

Waarin CQ de merites onderzoekt van een onkruidbrander.

DERTIEN
05.04.2017 — 17:02

Waarin CQ leert loslaten – en hoe het is om te worden losgelaten (alvast een beetje)

GEDOE
08.02.2017 — 11:32

Waarin CQ heimwee heeft naar een groepsreis.

TOON MEER BERICHTEN
ZEN EN DE KUNST VAN HET SCHOFFELEN
24.04.2017 — 14:00

Je bent ingedeeld bij de schoffelploeg, was de mail die ik begin 2016 ontving. Als in: schoffelen, acht keer per jaar, van 9 tot 12, met koffiepauze. Als bijdrage aan De Vereniging, aan De Tuin, verstek op straffe van vele euri boete.

De schoffelploeg. Ik moest het even op me laten inwerken. Ik had, in oktober 2015, toegeslagen en een tuinhuisje gekocht. Een tuinhuisje, zo had ik in mijn hoofd, als plek om – na twee non-fictie boeken – te gaan werken aan die Grote Roman.

Ik wilde al heel lang een tuinhuisje. Moeten we niet doen, vond W.D. Want wij zijn niet van het klussen en wij zijn niet van het tuinieren. Daar had hij een punt. Alleen: híj is niet van het klussen en hij is niet van het tuinieren. Ik doe nog best wel eens wat met een hamer, schroevendraaier of kwast. En hé, die AH-moestuintjes zijn ook altijd aan mij zeer besteed.

Hij had nóg een punt: overal wachtlijsten. Want tuinhuisjes, die zijn dus erg geliefd. Maar op een dag kwam hij thuis, W.D. Hij zei: “Ik ga jou heel erg gelukkig maken.’’ Hij ging mij heel erg gelukkig maken.

Hij had die middag de Zoon opgehaald van een speelafspraak met zijn beste vriendje, bij diens vader. Bij het tuinhuisje van diens vader. “Goh, mooie plek”, had W.D. gezegd. Oprecht verrast, want: niet verwacht naast spoor, snelweg en ArenA. “Lange wachtlijst zeker.”

Nou niet dus. Er stonden drie huisjes-met-tuinen te koop.

Die vrijdagavond werden we - werd ik - lid van de Bond van Volkstuinders en meldden we ons - meldde ik me - aan op de wachtlijst voor De Tuin der Tuinen. Stuurde een mail naar het bestuur. Die maandag gingen we - ja, alle vier, van wie één (want pre-puber ) onder protest – kijken. En op woensdag tekenden we - tekende ik - een contract. Nou, wat ging ik me daar een roman schrijven.

Maar: de schoffelploeg dus, x 8. Wat dat was, schoffelen, dat wist ik dus eigenlijk niet. Die AH-moestuintjes op mijn balkon behoefden eigenlijk altijd weinig, eh, schoffelen.

Maar ik werd opgeleid en ingewerkt. Kruiwagen, bak, handschoenen, schoffel, hark – en trekken en plukken maar uit die grindpaden: grasjes, kruipers, gluipers. En om half elf sharp koffie met koek.

Sommige collega-schoffelaars doen gezellig kletsen in teamverband, anderen trekken zich terug in capuchon en podcast. Ik ben van soms van de gezelligheid maar vaak ook, zo is gebleken, heel erg zen: trekken en plukken van centimeter tot centimeter en aan het eind van de ochtend is het laantje weer 'schoon'.

Nadeel van lidmaatschap van de schoffelploeg, is dat je ze overal gaat zien: die grasjes, kruipers en gluipers. In je eigen tuin bijvoorbeeld, tussen de tegels en het grind. Maar ook op vakantie, in Zuid-Engeland, waar je door je gezin tijdens bezoek aan landhuizen met tuinen maar ook op de keurige camping met gras en grind wordt betrapt op grasjesgraaien.

Dat tuinhuisje had ik snel omgekat tot schrijvershuisje, klussen bleek niet zo’n probleem. Ik ben niet goed met de elektriek, maar elektriek, die is er niet, dus dat scheelt.

Alleen dat tuinieren, dat zit de Grote Roman enorm in de weg. De strijd met de woekerbraam moest beslecht (1-0 voor mij maar niet zonder schrammen), de strijd tegen de woekerbamboe (gapende wond rechterscheenbeen, lelijk litteken) is nog lang niet ten einde. En die grasjes, hoe gegraaid ook, weten zich altijd weer een weg terug te vinden.

En ik blijf maar roepen: zen, joh, zen.

En dat is zo. Wat is dat stiekem lekker, dat gepluk en gefrut en getrut. Mindful ten top. Beter dan de beste meditatie.

Alleen is er nu een noviteit. De schoffelploeg gaat branden. Opgestuwd in de vaart der volkeren, is er op de Tuin der Tuinen een onkruidbrander aangeschaft. Een monster, dat vlammend voortgeduwd moet worden. Dat niet lekker mag blakeren, weten we nu uit de handleiding, maar dat de gluiperige groeiers verslapt en uiteindelijk doet bezwijken. Ter controle: neem een slap blaadje tussen duim en wijsvinger. Vormt zich een vochtige, donkere plek, dan is de missie in progressie.

Ik heb collega’s in de schoffelploeg, ik noem geen namen, die dat heerlijk vinden. De macht aan het monster! Kicken, achter dat ding. Woesj! Maar ik blijk hier een dinosaurus. Ik ben gehecht aan het tuingereedschapje dat ik mijn ‘kleine hak’ noem en waarvan ik de officiële naam niet weet, waarmee ik al zoveel ongewenst groen heb ontworteld. Ik ben gehecht aan mijn strijd op de vierkante centimeter.

Maar ik moet zeggen: het ruikt wel lekker, dat gas over het gluipgroen, het ruikt als vakantie en kamperen en we gaan een lekker potje koken op het butadingesje. En het gaat ook best wel lekker snel ook. Dus als die lieve collega-schoffelaars nou ook even op nummer 51 komen branden met het monster, wordt het misschien ooit ook nog eens wat met die Grote Roman. Of niet natuurlijk, want die tuin…